groep 1, jij in de ruimte, taal woordsoort, thema mens leeftijd relaties sport en spel, thema mens lichaam, woordenschat woordsoort in thema basiswoordenschatt – basiswoord – bewegen – ik loop, ik val, ik lig – beeldvorming, opdrachtkaart – 6p.
groep 2, taal woordsoort, woordenschat, woordenschat woordsoort in thema basiswoordenschatt – basiswoord – eigenschap of tegenstelling – aan-uit open-dicht stuk-heel droog-nat schoon-vies – beeldvorming – 17p.
begin groep, groep 6, taal woordsoort, woordenschat woordsoort benoem een woordsoortt – voorzetsel – wat is een voorzetsel (van plaats) – 8p.
b, basisblad, begin groep, groep 4, taal woordsoort, woordenschat woordsoort vul een woordsoort int – werkwoord – ik vlieg – jij vliegt – wij vliegen 6p. – praatplaat
b, begin groep, groep 4, taal woordsoort, woordenschat woordsoort vul een woordsoort int – werkwoord ik zwem -zij zwemt – er komt een ’t’ achter – 10p.
b, begin groep, groep 4, taal woordsoort, woordenschat woordsoort vul een woordsoort int – werkwoord ik duik – hij duikt – wij duiken – er komt alleen ’t’ of ‘en’ achter – 14p.
a, begin groep, groep 5, taal woordsoort, woordenschat woordsoort vul een woordsoort int – werkwoord ik weeg- hij weegt – wij wegen / ik ren – zij rent – wij rennen – invuloefeningen – 9p.
b, groep 5, midden groep, taal woordsoort, woordenschat woordsoort benoem een woordsoortt – lidwoord – wat is een lidwoord & gebruik je de, het of een? – 9p.
b, groep 5, midden groep, taal woordsoort, woordenschat woordsoort benoem een woordsoortt – zelfstandig naamwoord – wat is een naamwoord? – 5p.
groep 1, meten en wegen, taal woordsoort, woordenschat, woordenschat woordsoort in thema basiswoordenschatt – basiswoord – eigenschap of tegenstelling – r – meten groot-klein dun-dik kort-lang vol-leeg koud-warm – 32p.
a, groep 5, midden groep, taal woordsoort, woordenschat woordsoort vul een woordsoort int – spelling stoffelijk bijvoeglijk naamwoord – een houten plank – toepassing – 8p.
b, begin groep, groep 3, taal woordsoort, woordenschat woordsoort in thema basiswoordenschatt – woordsoort basis – tegen – 5p.
a, communicatie maak een enkelvoudige zin, eind groep, groep 5, taal woordsoort, taal zin maak een zin, woordenschat woordsoort vul een woordsoort int – zin – wie – wordt + voltooid deelwoord + door – de poes wordt geaaid door – toepassing, stroken – 11p.
a, eind groep, groep 4, taal woordsoort, woordenschat woordsoort vul een woordsoort int – voornaamwoord – mijn boek – jouw boek / van mij – van jou – 7p.
a, begin groep, groep 5, taal woordsoort, woordenschat woordsoort vul een woordsoort int – werkwoord ik leer – jij leert – wij leren 15p.
a, groep 5, midden groep, taal woordsoortt – bijvoeglijk naamwoord – trappen van vergelijking – groot – groter – grootst– 14p.
a, begin groep, groep 5, taal woordsoort, woordenschat woordsoort vul een woordsoort int – voornaamwoord – het is haar boek – zijn boek / het boek is van haar – van hem – opdrachtkaarten toepassing 17p.
groep 2, taal woordsoort, thema mens leeftijd relaties sport en spel, woordenschat woordsoort in thema basiswoordenschatt – woordsoort – p.vnw – hij en zij – beeldvorming, zonder schrijven – 17p.
a, begin groep, groep 4, taal woordsoort, woordenschat woordsoort vul een woordsoort int – lidwoord – schrijf het woord met de of het – 11p.
a, begin groep, groep 4, taal woordsoort, thema natuur dieren, woordenschat woordsoort vul een woordsoort int – voorzetsel – vul een voorzetsel in in de zin – thema dieren – beeldvorming opdrachtkaarten toepassing – 16p.