a, begin groep, groep 5, taal woordsoort, thema natuur dieren, woordenschat woordsoort vul een woordsoort inw – dier – welk dier is groter, het grootst? – 8p.
begin groep, communicatie maak een enkelvoudige zin, groep 5, taal communicatie, taal zin maak een zint – zin – maak een zin vragend – gesloten vraag – antwoord is ja of nee – schrijfopdrachten – 11p.
communicatie maak een samengestelde zin, dit seizoen, eind groep, groep 5, klok alles over tijd, taal zin maak een zin, taal zin samengestelde zint – samengestelde zin – in dit seizoen omdat – toepassing – 3p.
communicatie maak een samengestelde zin, groep 5, taal communicatiet – zinsbegrip luister nadat-voordat– opdrachtkaarten – 4p.
eind groep, groep 5, woordenschat beeldspraak, woordenschat denkrelatiet – woordenschat – homoniem: de kop (van een hond, voor de koffie) – gr5. beeldvorming en toepassing – 20p
eind groep, groep 5, woordenschat denkrelatie, woordenschat oorzaak gevolg middel doelt – (maak) een raadsel – toepassing – 13p.
begin groep, groep 5, woordenschat denkrelatie, woordenschat woorden omschrijvent – woordenschat – raad het woord – opdrachtkaarten – 4p.
eind groep, groep 5, woordenschat denkrelatie, woordenschat oorzaak gevolg middel doelt – denkrelatie – oorzaak-gevolg – opdrachtkaarten en keuzerondjes – 7p
begin groep, groep 5, werken beroepen boerderij, woordenschat denkrelatie, woordenschat woorden omschrijvent – woorden omschrijven – bedenk 3 dingen bij: in huis, dier, vervoermiddel, beroep – 21p.